Bedrijfsarts leidend bij toets re-integratieverslag: wat verandert er?
Geschreven door: mr. Rowie van Coevorden
Een werkgever die het advies van de bedrijfsarts volgt, kan nu nog een loonsanctie krijgen als het UWV later anders oordeelt over de belastbaarheid van de werknemer. Het kabinet wil daar verandering in brengen. In een nieuw wetsvoorstel wordt het oordeel van de bedrijfsarts leidend bij de toets van het re-integratieverslag, ook wel de ‘RIV-toets’ genoemd. Daarnaast regelt het wetsvoorstel wanneer bij een te late WIA-beoordeling van terugvordering van een voorschot kan worden afgezien.
In oktober 2025 lag het wetsvoorstel ter consultatie. Inmiddels is het voorstel op 27 maart 2026 ter advies voorgelegd aan de Raad van State. In deze publicatie lees je hoe het nu geregeld is, wat er (mogelijk) verandert en wat er uit de consultatie naar voren kwam.
Oud voorstel in een nieuw jasje
Het idee om het oordeel van de bedrijfsarts leidend te maken, is niet nieuw. In 2020 lag er al een wetsvoorstel met dezelfde strekking. Dat voorstel werd vervolgens in 2023 ingetrokken, omdat het kabinet eerst een advies van de onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS) wilde afwachten.
De OCTAS concludeerde begin 2024 kort gezegd dat het arbeidsongeschiktheidsstelsel complex is en dat de capaciteit van verzekeringsartsen onder druk staat. De commissie adviseerde onder meer om dubbele medische beoordelingen te beperken en het stelsel eenvoudiger en beter uitvoerbaar te maken. In dat kader noemde de commissie ook het versterken van de rol van de bedrijfsarts.
De kern van het huidige wetsvoorstel verschilt weinig van het eerdere wetsvoorstel uit 2020. Het verschil zit vooral in de onderbouwing. Waar destijds vooral de rechtszekerheid voor werkgevers centraal stond, legt het kabinet nu ook nadruk op de capaciteitsproblemen bij het UWV.
Wat verandert er met het wetsvoorstel?
RIV-toets
Bij de WIA-aanvraag beoordeelt het UWV of werkgever en werknemer voldoende hebben gedaan aan re-integratie. Dat doet het UWV aan de hand van het re-integratieverslag. Daarbij kijkt het UWV onder meer naar het advies van de bedrijfsarts, de verrichte re-integratie-inspanningen en de mogelijkheden voor passende arbeid. De verzekeringsarts van het UWV beoordeelt daarnaast zelfstandig de medische belastbaarheid van de werknemer. Bij die beoordeling bestaat de mogelijkheid dat het UWV tot een andere conclusie komt dan de bedrijfsarts.
Als het UWV vervolgens oordeelt dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, kan het een loonsanctie aan de werkgever opleggen. Een loonsanctie betekent dat de periode van loondoorbetaling wordt verlengd (met maximaal een jaar), zodat de werkgever tekortschietende re-integratie-inspanningen alsnog kan verrichten.
Het wetsvoorstel brengt op dit punt een belangrijke wijziging mee. Het UWV beoordeelt bij de RIV-toets namelijk niet langer inhoudelijk of de bedrijfsarts de belastbaarheid van de werknemer juist heeft ingeschat. Op dat punt wordt het oordeel van de bedrijfsarts leidend. Daardoor kunnen verschillen van inzicht tussen de bedrijfsarts en de verzekeringsarts van het UWV niet langer leiden tot een loonsanctie. Het UWV blijft wel beoordelen of werkgever en werknemer voldoende re-integratie-inspanningen hebben verricht.
WIA-voorschot
Als het UWV niet tijdig op een WIA-aanvraag kan beslissen, kan het een voorschot verstrekken. Dat voorschot wordt later verrekend met de uitkering waarop uiteindelijk recht blijkt te bestaan. Als achteraf blijkt dat te veel voorschot is betaald, kan het UWV het te veel betaalde bedrag terugvorderen. Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als uiteindelijk geen recht op WIA bestaat, bijvoorbeeld omdat de werknemer minder dan 35% arbeidsongeschikt blijkt te zijn, of als de uitkering lager uitvalt dan waarvan bij het voorschot is uitgegaan. In de praktijk hanteert het UWV inmiddels wel een tijdelijk beleid waarbij in bepaalde gevallen van terugvordering wordt afgezien, maar dat beleid heeft nog geen expliciete wettelijke grondslag.
Het wetsvoorstel ziet op dat laatste punt en beoogt voor dit beleid een wettelijke grondslag te creëren. Daarmee wil het kabinet voorkomen dat werknemers in de hiervoor genoemde gevallen alsnog worden geconfronteerd met een terugvordering als het UWV te laat beslist. Kwijtschelding is daarbij alleen mogelijk als de te late beslissing over het recht op een WIA-uitkering niet aan de werknemer is te wijten en het onverschuldigd betaalde voorschot niet kan worden verrekend met een andere uitkering over dezelfde periode.
Wat kwam uit de consultatie van oktober 2025?
De consultatie van het wetsvoorstel laat een verdeeld beeld zien. Werkgeversorganisaties reageren overwegend positief op het voorstel om het oordeel van de bedrijfsarts leidend te maken bij de RIV-toets. Zij wijzen erop dat werkgevers nu een loonsanctie kunnen krijgen terwijl zij het advies van de bedrijfsarts hebben gevolgd. Volgens werkgeversorganisaties VNO-NCW en MKB-Nederland neemt het wetsvoorstel op dat punt een deel van de onzekerheid weg. Ook zien zij daarin een bijdrage aan het terugdringen van het tekort aan sociaal-medische beoordelingscapaciteit.
Ook de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) reageert in principe positief. De vereniging juicht de voorgestelde wetswijziging toe en stelt dat het bij de professionele rol van de bedrijfsarts past dat partijen kunnen varen op diens oordeel over de noodzakelijke re-integratie-inspanningen. Wel benadrukt de NVAB dat de beoordeling van het recht op een WIA-uitkering een taak van de verzekeringsarts moet blijven.
Daartegenover staan kritische reacties van onder meer de werknemersorganisaties FNV, CNV en VCP. Zij stellen dat met het voorstel de verzekeringsarts bij de RIV-toets feitelijk buitenspel wordt gezet en dat daarmee een controle op het oordeel van de bedrijfsarts verdwijnt. Volgens hen worden zo de bestaande ‘checks and balances’ uit het stelsel gehaald en raakt het voorstel de positie van werknemers.
Daarnaast plaatsen andere partijen vraagtekens bij de gedachte dat andere instrumenten het gebrek aan checks and balances kunnen opvangen. Daarbij wordt met name gewezen op het deskundigenoordeel. Volgens meerdere reacties is dit in de praktijk niet altijd een reële waarborg, onder meer vanwege lange wachttijden en capaciteitsproblemen bij het UWV. Daardoor zijn deskundigenoordelen niet altijd tijdig beschikbaar en vinden in sommige regio’s zelfs helemaal niet plaats.
Verder is in de consultatie naar voren gebracht dat het wetsvoorstel de uitvoeringsproblemen bij het UWV niet oplost. Critici wijzen erop dat de achterstanden en het tekort aan beoordelingscapaciteit daarmee niet verdwijnen. Ook VNO-NCW en MKB-Nederland wijzen erop dat het wetsvoorstel slechts één onderdeel vormt van een bredere aanpak van de capaciteitsproblemen.
Ten slotte wordt in verschillende reacties aandacht gevraagd voor verschillen in kwaliteit en beschikbaarheid van bedrijfsartsen. Als hun oordeel bij de RIV-toets leidend wordt, wordt dat verschil ook belangrijker.
Wat betekent het wetsvoorstel voor de praktijk?
Voor werkgevers is vooral van belang dat het wetsvoorstel meer voorspelbaarheid lijkt te brengen bij de vraag of een loonsanctie zal worden opgelegd. Als het voorstel wet wordt, kan een loonsanctie niet langer worden gebaseerd op het enkele feit dat de verzekeringsarts van het UWV de belastbaarheid van de werknemer achteraf anders inschat dan de bedrijfsarts.
Tegelijkertijd neemt het belang van het advies van de bedrijfsarts verder toe. Dat advies speelde al een belangrijke rol in het re-integratietraject, maar wordt op basis van de leidende rol van de bedrijfsarts bij de RIV-toets nog bepalender. Voor werkgevers betekent dit dat het extra belangrijk wordt om het advies van de bedrijfsarts zorgvuldig te volgen en vragen te stellen bij onduidelijkheden.
Het wetsvoorstel verandert niet dat het UWV blijft beoordelen of werkgever en werknemer voldoende re-integratie-inspanningen hebben verricht. Een zorgvuldig en goed onderbouwd re-integratiedossier blijft daarom essentieel.
Het onderdeel over het WIA-voorschot raakt werkgevers minder direct, maar kan wel relevant zijn in de communicatie richting werknemers. Werkgevers moeten daarbij wel terughoudend zijn met mededelingen over het al dan niet terugvorderen van voorschotten, omdat terugvordering in bepaalde situaties nog steeds mogelijk blijft.
Heeft u vragen over dit wetsvoorstel of over een lopend re-integratiedossier? Neem dan gerust contact met ons op. Onze adviseurs en advocaten denken graag met u mee.
Ontvang onze publicaties
Volg ons op social media
Ontvang ons cursusaanbod
Volg ons op social media
Gerelateerde publicaties
Eerdere publicaties
Latere publicaties
Geen latere publicaties beschikbaar.