Werkgever hoeft werkweek van 4 keer 9 uur niet toe te staan
Weigering van een verzoek van werknemer tot spreiding van zijn werkweek over 4 werkdagen van 9 uur, om 1 dag per week vrij te zijn, mag. In een recente uitspraak van de rechtbank Overijssel oordeelt de kantonrechter dat weigering van zo’n verzoek, op grond van artikel 2 lid 7 Wet flexibel werken, toegestaan is wanneer het belang van werkgever zwaarder weegt dan het individuele belang van de werknemer.
Wat speelt er?
Werknemer is in 2006 in dienst getreden bij werkgever als medewerker Verkoop industriële toelevering voor 40 uur per week. Op de arbeidsovereenkomst is het geldende bedrijfshandboek van toepassing. Daarin staat dat de dagelijkse werktijden van 08.00 tot 17.00 uur zijn, met 1 uur pauze.
In maart 2025 verzoekt de werknemer zijn arbeidsduur terug te brengen naar 36 uur per week en die uren te verdelen over 4 werkdagen van 9 uur, met donderdag als vaste vrije dag. De werkgever stemt in met de urenvermindering, maar weigert het verzoek om werkdagen van 9 uur toe te staan. Volgens het bedrijf passen werkdagen van meer dan 8 uur niet binnen het interne beleid en de geldende werktijden. De werknemer stapt daarop naar de rechter en vordert dat de werkgever wordt verplicht zijn verzoek alsnog toe te staan.
Oordeel kantonrechter
De kantonrechter stelt vast dat het verzoek onder de Wet flexibel werken (Wfw) valt en dat de beoordeling van deze vordering een belangenafweging vergt. Artikel 2 lid 7 Wfw bepaalt namelijk dat de werkgever de spreiding van de uren conform het verzoek van de werknemer toestaat, tenzij hij een zodanig belang heeft dat de wens van de werknemer daarvoor moet wijken.
De werknemer stelt enerzijds dat hij een extra vrije dag nodig heeft voor een betere werk-privébalans en dat een vierdaagse werkweek financieel alleen haalbaar is als hij 9 uur per dag kan werken. De werkgever voert anderzijds onderbouwd aan dat hij belang heeft bij een beleid van werkdagen van 8 uur en dat langere werkdagen kunnen leiden tot roosterproblemen, onderbezetting en precedentwerking wanneer meerdere werknemers vergelijkbare verzoeken doen. Ook licht de werkgever toe dat hij bij elk verzoek een individuele belangenafweging maakt en spreiding van uren wel toestaat als dat vanwege zwaarwegende belangen van de werknemer (wel) noodzakelijk is.
De kantonrechter acht de belangen van de werkgever voldoende onderbouwd en oordeelt dat het belang van de werknemer niet zwaarder weegt. Daarbij speelt mee dat de werkgever het belang van de werknemer om een dag per week vrij te zijn erkent en alternatieven heeft aangeboden, zoals een wisselend rooster met 4 en 5 werkdagen of een vierdaagse werkweek van 32 uur. De vordering wordt daarom afgewezen en de werknemer moet de proceskosten betalen.
Conclusie
In het kort: hoewel werkgevers op grond van de Wet flexibel werken in beginsel moeten instemmen met wensen van werknemers ten aanzien van spreiding van uren, is weigering van de gewenste spreiding mogelijk bij een zodanig zwaarwegend belang van werkgever dat het belang van de werknemer daarvoor moet wijken.