Redelijke termijn vereist bij beëindiging langdurige subsidierelatie
Bij de beëindiging van een langdurige subsidierelatie is van belang dat de subsidieontvanger voldoende tijd krijgt om de gevolgen daarvan op te vangen. Dat geldt onder omstandigheden ook wanneer de subsidieontvanger zelf het initiatief neemt om de gesubsidieerde activiteiten af te bouwen. Dit blijkt uit een recente uitspraak van de rechtbank Overijssel.
Achtergrond
Stadstheater Almelo ontving sinds 1987 jaarlijks subsidie van de gemeente. Op 27 februari 2024 besloot de gemeenteraad het beschikbare budget te reserveren voor een toekomstige theaterfunctie. De vraag of dit raadsbesluit kwalificeert als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, is eerder aan de orde geweest bij de hoogste bestuursrechter (zie hierover onze eerdere publicatie).
Naar aanleiding van het raadsbesluit vroeg het Stadstheater een overbruggings- en afbouwsubsidie aan voor 2024 en 2025. Het college wees deze aanvraag af. In beroep stond de vraag centraal of het college op grond van artikel 4:51 Awb een redelijke termijn in acht had moeten nemen.
Redelijke termijn bij beëindiging van subsidie
Artikel 4:51 Awb bepaalt dat een bestuursorgaan een subsidie die gedurende drie of meer achtereenvolgende jaren is verstrekt voor dezelfde voortdurende activiteiten, wegens veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten slechts mag beëindigen met inachtneming van een redelijke termijn.
Volgens de rechtbank valt de afwijzing van de subsidieaanvraag van het Stadstheater onder deze bepaling. Het raadsbesluit moet worden aangemerkt als een gewijzigd inzicht dat zich verzet tegen voortzetting van de subsidie. Uit het raadsbesluit bleek immers dat er geen middelen meer beschikbaar waren voor het Stadstheater. Het college had het Stadstheater daarom tijdig moeten informeren en voldoende tijd moeten bieden om de gevolgen op te vangen. Dat is niet gebeurd.
Het college voerde aan dat artikel 4:51 Awb niet van toepassing was, omdat het Stadstheater zelf had besloten de exploitatie te beëindigen voordat het college op de subsidieaanvraag had beslist. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Uit het raadsbesluit bleek immers al dat het college geen ruimte meer had om de subsidieaanvraag toe te wijzen. Het Stadstheater kan daarom niet worden tegengeworpen dat het zelf het initiatief nam om de exploitatie af te bouwen. Ook in deze situatie had het college een redelijke termijn moeten bieden.
Betekenis voor de praktijk
De uitspraak benadrukt dat bestuursorganen bij de beëindiging van langdurige subsidierelaties een redelijke termijn in acht moeten nemen. Deze verplichting kan ook gelden wanneer de subsidieontvanger zelf het initiatief neemt om de gesubsidieerde activiteiten af te bouwen.