Gerechtshof Amsterdam: contractuele boete in erfpachtovereenkomst blijft uitgangspunt

Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 7 juli 2026 uitspraak gedaan over de toepassing van een contractueel boetebeding in een erfpachtovereenkomst tussen de gemeente Haarlemmermeer en een private partij (ECLI:NL:GHAMS:2026:1831). De uitspraak bevestigt dat partijen in beginsel mogen vertrouwen op de contractuele afspraken die zij met hun contractspartij maken. Hoewel artikel 6:94 BW de rechter de bevoegdheid geeft om een contractuele boete te matigen, past het hof deze bevoegdheid terughoudend toe.

Contractsvrijheid als uitgangspunt

De gemeente Haarlemmermeer had met een projectontwikkelaar een erfpachtovereenkomst gesloten voor de ontwikkeling en exploitatie van een hotel. Partijen kwamen overeen dat het hotel binnen een bepaalde termijn in gebruik moest worden genomen. Om nakoming van die verplichting te waarborgen, namen zij een contractueel boetebeding op in de overeenkomst.

Toen de ontwikkelaar de overeengekomen termijn niet haalde, beriep de gemeente zich op het boetebeding. De ontwikkelaar stelde dat de boete onevenredig hoog was en verzocht het hof de boete te matigen op grond van artikel 6:94 BW. Het hof stelde voorop dat partijen in beginsel gebonden zijn aan de afspraken die zij maken. Dat uitgangspunt vloeit voort uit de contractsvrijheid. Contractspartijen moeten erop kunnen vertrouwen dat overeengekomen verplichtingen en de daaraan verbonden sancties daadwerkelijk afdwingbaar zijn.

Hoewel het hof in deze zaak aanleiding zag de boete gedeeltelijk te matigen, bleef het uitgangspunt overeind dat matigen slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde is. De rechter mag alleen ingrijpen wanneer toepassing van een boetebeding leidt tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat. Daarmee waarborgt het hof niet alleen de belangen van de betrokken partijen, maar ook de rechtszekerheid en voorspelbaarheid van contractuele afspraken.

Wat betekent dit voor gemeenten?

Gemeenten, maar ook andere overheidsinstanties, sluiten regelmatig overeenkomsten. Daarbij spelen contractuele verplichtingen vaak een rol. Een zorgvuldig geformuleerd boetebeding helpt  om de nakoming van die afspraken af te dwingen. Deze uitspraak bevestigt dat de rechter terughoudend omgaat met zijn bevoegdheid om contractuele boetes te matigen. Dat betekent niet dat ieder boetebeding standhoudt. De rechter beoordeelt steeds of toepassing van de boete, gelet op alle omstandigheden van het geval, niet leidt tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat. Een proportioneel en goed onderbouwd boetebeding, dat aansluit bij de aard en het belang van de contractuele verplichting, vergroot de kans dat de rechter het beding in stand laat.

Hulp en advies

Heeft u vragen over boetebedingen of wilt u hierover advies? Neem gerust contact met ons op. Wij helpen u graag verder.