Toerekenbaar plichtsverzuim - wie moet wat bewijzen of (laten) onderzoeken?

Ambtenarenrecht

Eén van de onderdelen waaraan een rechter toetst of een disciplinaire straf terecht is opgelegd, is of het verweten plichtsverzuim de ambtenaar kan worden toegerekend. Dat de werkgever er goed aan doet dit te onderzoeken voordat hij een disciplinaire straf oplegt, blijkt uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 juli 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2543). In deze uitspraak vernietigt de Raad het besluit tot strafontslag, omdat de werkgever heeft nagelaten dit onderzoek te doen.

De casus: plichtsverzuim toerekenbaar?

In de hiervoor genoemde zaak prikt een medewerker van een Penitentiaire Inrichting met kracht een gedetineerde in zijn hand met een pen. De gedetineerde loopt hierdoor een kneuzing op aan zijn hand. Aan de medewerker wordt de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.

De medewerker voert aan dat het plichtsverzuim hem niet valt toe te rekenen. Hij handelde in een opwelling waarbij spanningsklachten en de hoge werkdruk een rol hebben gespeeld, waardoor hij de gevolgen van zijn gedraging niet kon overzien. De medewerker heeft binnen een week na het incident zijn huisarts bezocht en gevraagd om een verwijzing naar een psycholoog. Uit het intakegesprek met de psycholoog volgt onder andere dat de gedraging ‘werd voorafgegaan door een periode waarin sfeer en gebeurtenissen leidden tot opgekropte spanningen.’.  

De werkgever is van mening dat het plichtsverzuim volledig is toe te rekenen aan de medewerker.

Overwegingen Centrale Raad van Beroep

De Raad overweegt dat in de periode die voorafging aan het incident al aanwijzingen bestonden die erop konden duiden dat de medewerker verminderd toerekenbaar was ten tijde van het incident. Zo heeft de medewerker een week vóór het incident zijn seniorschap neergelegd vanwege de grote werkdruk. Ook heeft de medewerker nooit eerder gedurende zijn lange dienstverband dergelijk gedrag vertoond. De Raad overweegt daarnaast dat de medewerker vlak na het incident zijn huisarts en een psycholoog heeft bezocht in verband met psychische problemen naar aanleiding van gebeurtenissen op het werk. De uitkomst van deze gesprekken was bij de werkgever bekend voordat de straf werd opgelegd.

Aangezien het bevoegd gezag, ondanks deze signalen, heeft nagelaten te onderzoeken of sprake is van (on)toerekenbaarheid van het plichtsverzuim, is het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. De Raad vernietigt het besluit.

De bewijslast van de medewerker

Bij beantwoording van de vraag of het plichtsverzuim aan de medewerker kan worden toegerekend is volgens vaste rechtspraak van belang of de medewerker ten tijde van de gedraging in staat was de ontoelaatbaarheid van zijn gedraging in te zien en of hij in staat was overeenkomstig dit inzicht te handelen en de gedraging achterwege te laten (bijvoorbeeld Centrale Raad van Beroep 19 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2120).

Als een medewerker stelt dat het plichtsverzuim hem niet valt toe te rekenen, zal hij met (medische) stukken, zoals een advies van zijn huisarts of een rapportage van de behandelend psycholoog of  psychiater, moeten onderbouwen dat hij ten tijde van de gedraging niet in staat of verminderd in staat was om de ontoelaatbaarheid daarvan in te zien.

Als bijvoorbeeld uit de medische stukken blijkt dat de ambtenaar lijdt aan een depressie, maar dat deze depressie niet van invloed is op het handelen van de ambtenaar, dan volgt hieruit niet dat het plichtsverzuim ontoerekenbaar is (Centrale Raad van Beroep 8 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3363).

De onderzoeksplicht van de werkgever

Uit de hiervoor besproken uitspraak blijkt dat de werkgever een gedegen onderzoek zal moeten doen naar de toerekenbaarheid van het plichtsverzuim wanneer hij signalen heeft ontvangen die hiertoe aanleiding kunnen geven.

Afwijkend gedrag van een medewerker of bij het bevoegd gezag bekende medische stukken, kunnen aanleiding geven om nader onderzoek te verrichten. Zo oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de werkgever nader onderzoek had moeten verrichten naar de toerekenbaarheid van het plichtsverzuim, toen bleek dat het advies van een verzekeringsarts van het UWV andere conclusies bevatte dan het advies van de eigen bedrijfsarts (Centrale Raad van Beroep 29 juni 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY2607).

De signalen die aanleiding geven om te twijfelen aan de gemoedstoestand van de ambtenaar dienen wel voldoende concreet te zijn en bovendien bij de werkgever bekend te zijn. De Raad oordeelde bijvoorbeeld dat geen aanwijzingen voor  het instellen van een onderzoek aanwezig waren in een zaak waarbij de verweten gedragingen vrijwel het gehele dienstverband hadden voortgeduurd en de desbetreffende medewerker zijn taken altijd naar behoren had uitgevoerd (Centrale Raad van beroep 10 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2010). Ook het alcoholprobleem van de medewerker, dat pas uit later ingebrachte stukken bleek, was binnen de dienst nooit opgemerkt. De verklaring van de huisarts dat de ambtenaar vanaf medio 2010 is behandeld vanwege depressieve klachten en wisselende stemmingen, verplichtte de werkgever niet tot het instellen van een onderzoek. De verklaring van de huisarts was daarvoor te weinig specifiek volgens de Raad.

Tips voor onderzoek toerekenbaarheid plichtsverzuim

  • Ga na of binnen uw organisatie signalen zijn afgegeven door of over de medewerker die van invloed kunnen zijn op de vraag of het plichtsverzuim aan de medewerker kan worden toegerekend.
  • Bestaan er voldoende concrete signalen die erop kunnen wijzen dat het plichtsverzuim niet of in mindere mate aan de medewerker kan worden toegerekend, stel dan een onderzoek in naar de toerekenbaarheid van het plichtsverzuim.
  • Als u nalaat gedegen onderzoek te doen naar de toerekenbaarheid, dan kan de rechter het besluit vernietigen. Stel daarom bij twijfel altijd een onderzoek in met tussenkomst van de bedrijfsarts.

Ontvang onze publicaties

Ontvang ons cursusaanbod

Volg ons op social media

Gerelateerde publicaties

Eerdere publicaties