Hoge Raad: verlengen van de opzegtermijn kan niet zomaar

Aanbestedingsrecht en contractenrecht

Geschreven door: mr. Helin Cardakli

De Hoge Raad heeft zich in een arrest uitgesproken over de opzegging van duurovereenkomsten en de rol van de redelijkheid en billijkheid daarbij. In de zaak tussen expeditiebedrijf DPD B.V. en zijn vervoerders Get Moving B.V. en Bosch Transport B.V. stond centraal in hoeverre een contractueel overeengekomen opzegtermijn kan worden “aangevuld” of zelfs feitelijk terzijde kan worden geschoven op grond van veranderde omstandigheden.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch en stelt dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid duidelijke grenzen kent.

Feiten en achtergrond

In deze zaak was sprake van een langdurige samenwerking in de pakketbezorging. DPD werkte sinds 2008 samen met Get Moving en sinds 2011 met Bosch, die ieder als zelfstandig transportbedrijf pakketten aan huis bezorgden. Tussen partijen was een raamovereenkomst gesloten die telkens stilzwijgend werd verlengd voor de duur van één jaar. In deze overeenkomsten was expliciet bepaald dat beide partijen de overeenkomst konden opzeggen met een opzegtermijn van één maand. 

In november 2018 heeft DPD de samenwerking met beide vervoerders opgezegd. De opzegging werd eind november bevestigd en leidde tot beëindiging van de samenwerking per 1 januari 2019. Voor Get Moving en Bosch was deze beëindiging onverwachts. In de loop der jaren was de samenwerking aanzienlijk geïntensiveerd en waren de vervoerders in belangrijke mate afhankelijk geworden van de opdrachten van DPD. Zij stelden dat de korte opzegtermijn hen niet in staat had gesteld hun bedrijfsvoering tijdig aan te passen aan het wegvallen van deze opdrachtgever en dat zij daardoor schade hadden geleden, onder meer in de vorm van loonkosten en ontslagvergoedingen.

Eerste aanleg en gerechtshof

In eerste aanleg wees de rechtbank de vorderingen van Get Moving en Bosch af. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch kwam echter tot een ander oordeel. Het hof kwalificeerde de contractuele relatie als een duurovereenkomst en stelde vast dat de samenwerking in de loop der jaren aanzienlijk was uitgebreid en geïntensiveerd. Tegen die achtergrond achtte het hof de contractuele opzeggingsregeling onvoldoende toegesneden op de feitelijke situatie die was ontstaan. Volgens het hof bevatte de overeenkomst op dit punt een leemte. Weliswaar was een opzegtermijn van één maand overeengekomen, maar was niet voorzien in de situatie waarin de samenwerking zodanig omvangrijk en langdurig was geworden dat een dergelijke termijn niet langer redelijk was.

Het hof meende dat deze leemte kon worden opgevuld met behulp van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid zoals neergelegd in artikel 6:248 lid 1 BW. Daarbij achtte het hof met name van belang dat Get Moving en Bosch in sterke mate afhankelijk waren geworden van DPD, dat zij gerechtvaardigde verwachtingen mochten ontlenen aan de continuïteit van de samenwerking, en dat zij hun bedrijfsvoering niet binnen één maand konden aanpassen. Het belang van DPD bij een snelle beëindiging van de samenwerking, onder meer gelegen in vermeende kwaliteitsproblemen, woog volgens het hof minder zwaar dan het belang van de vervoerders bij continuïteit. Op basis van deze afweging kwam het hof tot de conclusie dat een langere opzegtermijn redelijk was, namelijk drie maanden voor Get Moving en twee maanden voor Bosch. Doordat DPD slechts één maand in acht had genomen, was zij volgens het hof toerekenbaar tekortgeschoten en aansprakelijk voor de schade die daaruit voortvloeide.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad grijpt het arrest van het hof aan om een principieel onderscheid te benadrukken tussen de aanvullende en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. De Hoge Raad stelt voorop dat een duurovereenkomst die voorziet in een opzeggingsregeling in beginsel opzegbaar is overeenkomstig die regeling. Wel kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid onder omstandigheden meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen worden gesteld, bijvoorbeeld dat een voldoende zwaarwegende grond nodig is, dat een langere opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat een schadevergoeding moet worden aangeboden. Dit uitgangspunt sluit aan bij eerdere rechtspraak, waaronder het arrest Goglio/SMQ.

Belangrijk is echter dat de Hoge Raad vervolgens aangeeft dat de wijze waarop het hof deze uitgangspunten heeft toegepast, juridisch onjuist is. Door te oordelen dat de contractuele opzegtermijn van één maand moest worden vervangen door een langere termijn, heeft het hof feitelijk de contractuele bepaling buiten toepassing gelaten. Een dergelijk ingrijpend gevolg kan niet worden bereikt via de aanvullende werking van artikel 6:248 lid 1 BW. Die bepaling is bedoeld om leemten in de overeenkomst op te vullen, niet om bestaande contractuele afspraken te wijzigen of te vervangen.

Indien een partij zich op een contractuele bepaling beroept en de vraag rijst of dat beroep in de gegeven omstandigheden nog gerechtvaardigd is, moet volgens de Hoge Raad worden getoetst aan de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 lid 2 BW. Dat betekent dat moet worden beoordeeld of het beroep op de contractuele bepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof heeft deze toets niet toegepast en is daarom uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.

De Hoge Raad wijst er daarbij nadrukkelijk op dat er een belangrijk verschil bestaat tussen het buiten werking stellen van een contractuele opzegtermijn en het aannemen van een verplichting tot schadevergoeding. In het laatste geval blijft de opzegging op zichzelf rechtsgeldig, maar kan de opzeggende partij gehouden zijn de wederpartij te compenseren voor de nadelige gevolgen. De omvang van die schadevergoeding kan mede worden bepaald door wat in de gegeven omstandigheden redelijk is, bijvoorbeeld door aansluiting te zoeken bij een langere opzegtermijn. Dit leidt echter niet tot een wijziging van de contractuele bepaling zelf.

Conclusie

Voor de praktijk is vooral van belang dat contractuele opzeggingsregelingen in beginsel leidend blijven, ook wanneer de feitelijke verhouding tussen partijen in de loop der tijd verandert. Het enkele feit dat een samenwerking intensiever wordt of dat economische afhankelijkheid ontstaat, is op zichzelf onvoldoende om een contractuele opzeggingsregeling via de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid te corrigeren.

Tegelijkertijd bevestigt de Hoge Raad dat de redelijkheid en billijkheid wel degelijk een corrigerende rol kunnen spelen. In gevallen waarin een abrupte beëindiging van een langdurige samenwerking tot onaanvaardbare gevolgen leidt, kan ruimte bestaan voor een schadevergoedingsplicht.

De vernietiging van het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch en de verwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betekenen dat de zaak nog niet definitief is beslecht. In de verdere procedure zal opnieuw moeten worden beoordeeld in hoeverre DPD aansprakelijk is voor de gestelde schade.

Heeft u vragen? Neem dan gerust contact op met onze specialisten contractenrecht. Wij helpen u graag verder. 

Ontvang onze publicaties

Ontvang ons cursusaanbod

Volg ons op social media

Gerelateerde publicaties

Stichting of coöperatie: rechtsvormkeuze voor gemeenten en overheden

Aanbestedingsrecht en contractenrecht
Geschreven door: Zoë Blankestein Bij het aangaan van een samenwerking of bij het extern onderbrengen van publieke taken staan gemeenten en andere overheden regelmatig voor een belangrijke keuze: welke rechtsvorm…

Begrotingssubsidie: recht op mededinging, het slotstuk?

Aanbestedingsrecht en contractenrecht
Bestuursrecht
Geschreven door: Zoë Blankestein In eerdere publicaties hebben wij al stilgestaan bij de mededingingsplicht bij subsidies. Op 30 oktober 2024 bespraken wij de uitspraak van de rechtbank Limburg. Daarin werd…

Eerdere publicaties

Aanbestedingsrecht en contractenrecht
Aanbestedingsrecht en contractenrecht, Bestuursrecht
Aanbestedingsrecht en contractenrecht

Latere publicaties

Geen latere publicaties beschikbaar.