Tijdelijke sluiting evenementenlocatie na geweldsincidenten rechtmatig op grond van lichte bevelsbevoegdheid
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de burgemeester van Almere een evenementenlocatie terecht tijdelijk heeft gesloten na twee geweldsincidenten.
In deze zaak exploiteert de eigenaar het pand voor bruiloften en andere evenementen. In de nacht van 7 op 8 november 2023 gaat een vuurwerkbom af bij het pand. Op 15 november 2023 volgt een tweede incident: een brandend voorwerp wordt door een raam naar binnen gegooid. Bij besluit van 16 november 2023 sluit de burgemeester het pand voor de duur van twee weken, op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet. Volgens de burgemeester hebben de incidenten de openbare orde ernstig geschokt, kan de politie nieuwe verstoringen niet uitsluiten en heeft de eigenaar zelf meer en ernstiger incidenten in het vooruitzicht gesteld. Bij besluit van 10 april 2024 verklaart de burgemeester het bezwaar van de exploitant ongegrond, maar wijzigt hij de juridische grondslag: hij baseert de sluiting nu op artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet, omdat het pand volgens hem een openbare inrichting is als bedoeld in artikel 2:16 van de Algemene plaatselijke verordening van Almere.
De rechtbank Midden-Nederland verklaart het beroep van de exploitant gegrond en vernietigt het besluit van 10 april 2024 wegens een motiveringsgebrek, omdat de burgemeester ten onrechte artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet aan de sluiting ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank bepaalt echter dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, omdat de burgemeester het pand naar haar oordeel wel op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet mocht sluiten. Tegen deze instandlating van de rechtsgevolgen stelt de exploitant hoger beroep in.
De Afdeling beoordeelt eerst welke wettelijke grondslag voor de sluiting geldt. Volgens vaste rechtspraak is de burgemeester niet bevoegd om bevoegdheden uit de Gemeentewet te benutten in een situatie waarin de Apv voorziet, zie de uitspraak van 28 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2448). De Afdeling stelt vast dat het pand geen voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte is als bedoeld in artikel 2:16 van de Apv, en evenmin een voor het publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet. De hoofdfunctie van het pand is het faciliteren van feesten waarvoor gasten alleen op uitnodiging worden toegelaten; bij evenementen controleren een beveiliger en een gastvrouw of bezoekers een uitnodiging hebben. De Apv en artikel 174 van de Gemeentewet bieden daarom geen grondslag voor de sluiting.
Het betoog dat het college op grond van artikel 2:22 van de Apv bevoegd was, verwerpt de Afdeling. Die bepaling is alleen van toepassing als sprake is van een openbare inrichting in de zin van artikel 2:16 van de Apv, en daarvan is hier geen sprake. Dat in de toelichting bij artikel 2:22 van de Apv staat dat ook een niet voor publiek toegankelijke inrichting zoals een besloten sociëteit onder het begrip openbare inrichting kan vallen, doet daaraan niet af, omdat de tekst van artikel 2:16 van de Apv op zichzelf duidelijk is en aan de toelichting bij een andere bepaling dan geen betekenis toekomt. De Afdeling concludeert dat artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet de juiste grondslag biedt voor de sluiting.
Artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet betreft de zogenoemde lichte bevelsbevoegdheid en is blijkens de wetsgeschiedenis bedoeld voor situaties waarin geen sprake is van een overtreding van wettelijke voorschriften, maar wel van een inbreuk op orde en rust die het aanvaardbare niveau te boven gaat. De burgemeester heeft hierbij een aanzienlijke beoordelingsruimte, met dien verstande dat bevelen evenredig en subsidiair moeten zijn (zie de uitspraak van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1266). De rechtbank heeft terecht overwogen dat de burgemeester zich mocht baseren op de bestuurlijke rapportages van de politie, de aangiften van de eigenaar en diens verklaring over een langlopend conflict met zijn ex-vrouw. Het gooien van een explosief en het stichten van brand vormen een verstoring van de openbare orde wegens het concrete en actuele gevaar voor personen en goederen. Dat directe omwonenden ontbreken omdat het pand op een bedrijventerrein ligt, doet daaraan niet af: het gevaar kan ook passanten, gasten van geplande bruiloften of medewerkers treffen.
De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Vragen over sluitingsbevoegdheden en openbare orde?
Wilt u weten wat deze uitspraak betekent voor uw organisatie of een concrete situatie bespreken? Neem dan gerust contact met ons op.