Een lagere subsidie is niet altijd een lagere vaststelling

Een recente uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) laat weer zien dat het vaststellen van een lager subsidiebedrag niet altijd inhoudt dat er sprake is van een lagere vaststelling  als bedoeld in artikel 4:46, tweede lid, van de Awb.

Wat was er aan de hand? 

De minister van Economische Zaken en Klimaat heeft een onderneming in 2023 op grond van de TEK-regeling (Tegemoetkoming Energiekosten energie-intensief mkb) subsidie verleend en een voorschot toegekend. Met de TEK-regeling nam de overheid, als gevolg van de sterk gestegen energieprijzen, tijdelijk een deel van de gestegen energiekosten over van ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf. In het verleningsbesluit heeft de minister een maximaal subsidiebedrag verleend, waarbij de hoogte van het bedrag afhankelijk is gesteld van de ontwikkeling van energieprijzen in 2023.

Bij de vaststelling in 2024 heeft de minister de subsidie lager vastgesteld en een groot deel van het voorschot teruggevorderd. De reden voor het lagere bedrag waren de fors gedaalde energieprijzen in 2023. In beroep bij het CBb speelt met name de vraag wat de grondslag was van de terugvordering.

Oordeel CBb 

Het CBb constateert dat de minister een onjuiste grondslag heeft gebruikt voor de vaststelling. De minister heeft de vaststelling namelijk gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb, omdat het bedrag van de vaststelling lager is dan het bedrag dat genoemd is in het verleningsbesluit. Het CBb oordeelt, in lijn met eerdere uitspraken, dat er hier geen sprake is van een lagere vaststelling, maar van een vaststelling conform verlening (artikel 4:46, eerste lid, Awb). Omdat er in de verleningsbeschikking een bedrag is genoemd dat afhankelijk is gesteld van wijzigingen in energieprijzen en er bij de vaststelling een zelfde berekeningswijze is toegepast, was er geen sprake van een lagere vaststelling. De minister heeft de vaststelling dus gebaseerd op een onjuiste wettelijke grondslag.

Overigens leidt de onjuiste grondslag niet tot een andere uitkomst. Omdat de berekening van de tegemoetkoming terecht is, blijven de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Daarnaast is er ook geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel.

Wat betekent dit voor de praktijk? 

Voor subsidieverstrekkers is van belang dat zij zich realiseren dat een lager bedrag bij de vaststelling niet altijd betekent dat er sprake is van een lagere vaststelling als bedoeld in artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Hiervoor is bepalend of het bedrag dat is verleend afhankelijk is gesteld van toekomstige factoren. Het is dus van belang om in de verleningsbeschikking al te benoemen dat het gaat om een maximaal subsidiebedrag en dat het uiteindelijke bedrag afhankelijk is van bepaalde factoren. Wordt dit niet gedaan, dan is een lagere vaststelling (en terugvordering) alleen mogelijk op specifieke wettelijke gronden.

Heeft u vragen over het subsidierecht? Onze advocaten en adviseurs helpen u graag. Neem contact op met onze specialisten via 079 - 3631919 of mail ons